Behoefte aan betrouwbare journalistiek

Na vier jaar hangt Jeroen Smit (52) zijn hoogleraarschap journalistiek in Groningen aan de wilgen. “Kranten gaan stapsgewijs stoppen met papier.”

Hoogleraar met de korte broek. Zo wordt Jeroen Smit soms meesmuilend genoemd. Hij is namelijk een van de weinige hoogleraren op de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) die niet gepromoveerd is. Smit heeft geen proefschrift geschreven en is dus geen prof. dr., zoals de meeste van zijn medehoogleraren, maar prof. drs.

Als hoogleraar journalistiek is Smit aangesteld om masterstudenten journalistieke vaardigheden bij te brengen, niet om onderzoek te doen of zich te buigen over theoretische vraagstukken. Hij is verantwoordelijk voor de praktijk, zijn collega Marcel Broersma voor de theorie.

Daaraan komt per 1 september een eind. Smit heeft zijn betrekking aan de RUG opgezegd. Ook dat is niet gebruikelijk. Sommigen binnen de universiteit fronsen de wenkbrauwen. Professor ben je voor het leven. Daarmee ga je door tot je pensioen, waarna je met emeritaat gaat.

Strenger

Achteraf mailt Smit dat de universiteit ‘misschien wat strenger moet worden’ ten aanzien van het hoogleraarschap. ‘Je bent hoogleraar zo lang je iets te brengen hebt, wat een hoogleraar waardig is. Als dat niet meer zo is: stoppen! Linksom of rechtsom.’

Smit is een ‘atypische’ hoogleraar. Hij vond zijn benoeming eervol. Die streelde zijn ijdelheid, wil hij wel toegeven. Maar hij kan zich niet herinneren dat hij ooit een brief heeft ondertekend met ‘professor’. ,,Ik ben geen wetenschapper, maar probeer een vakman te zijn.”

Een punt zetten achter het hoogleraarschap kon Smit ook niet met een telefoontje afdoen. Om eervol ontslag te krijgen, moest hij in een brief aan het college van bestuur uitleggen waarom hij wilde stoppen. Vorig jaar april heeft hij het besluit genomen. Nog eerder, al bij zijn aantreden in 2011, heeft hij gezegd dat hij het hoogleraarschap hooguit vier, misschien vijf jaar zou bekleden. ,,Ik heb in mijn leven nog nooit iets langer dan vier jaar gedaan”, verklaart hij op zijn werkkamer aan de Keizersgracht in Amsterdam.

Onderzoeksjournalist

Vier jaar ‘onder professoren’ is de gelauwerde onderzoeksjournalist, die naam maakte met Het drama Ahold (2004) en De Prooi (2008), naar eigen zeggen goed bevallen. Smit heeft een halve aanstelling, hoeft slechts één à twee keer per week in Groningen te zijn, dus Hermansiaans benauwd heeft hij het in het universitaire wereldje in elk geval niet kunnen krijgen.

Van de bureaucratische rompslomp op de RUG, waarover een groep docenten in ReThinkRug onlangs zijn beklag deed, heeft Smit evenmin veel meegekregen. In het begin moest hij wel wennen aan ‘de adembenemende hoeveelheid mail’ die wordt rondgestuurd. Zijn devies: ,,Heel veel snel weggooien”. Verder kon hij zich nagenoeg volledig focussen op onderwijs.

Verreweg het leukst vond Smit de omgang met studenten. ,,Mijn generatie journalisten heeft veel zorgen over de toekomst van het vak. Dan is het ontzettend prettig te ervaren dat 23-jarige studenten níet bang zijn voor morgen en er heel veel zin in hebben. Ze willen allemaal goede journalisten worden.”

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, al is het maar omdat de banen niet voor het oprapen liggen. Toch vindt volgens Smit nog altijd 60 à 70 procent van de afgestudeerden in de journalistiek een baan bij de traditionele media, niet vast maar met een jaarcontract. ,,Dat is erg fijn. In zo’n professionele omgeving kun je ontzettend veel leren. Het perspectief op een baan op de wat langere termijn wordt wel minder. De neergang is structureel, niet conjunctureel. In mijn oratie tweeënhalf jaar geleden heb ik het al voorspeld. Papieren kranten houden op te bestaan. Simpel. Klaar.”

Onheilsprofeet

Smit wil niet als ‘onheilsprofeet’ worden weggezet. Zelf is hij verknocht aan papier. Toch wijzen alle statistieken erop dat de papieren krant aan het eind van zijn levenscyclus zit. In de afgelopen tien jaar is gemiddeld 40 procent van de krantenabonnees vertrokken. De advertentieomzet is gehalveerd.

Als je de neergaande lijn van abonneeaantallen en advertentie-inkomsten doortrekt, is het ‘niet logisch’ dat er over vijf jaar nog dagelijks een papieren krant in de bus valt. Dan krijgen abonnees bijvoorbeeld op dinsdag alleen nog een digitale versie. ,,Kranten gaan stapsgewijs stoppen met papier. De weekendkrant komt misschien nog wel vijftien jaar uit. Daarna zal ook deze uitsluitend online verschijnen.”

Smit vindt dat de oudere generatie journalisten te lang achterover heeft geleund. De bedrijfsmatige verantwoordelijkheid voor het krantenbedrijf hebben ze altijd afgeschoven op de uitgever of het management. Het industriële, twintigste-eeuwse bedrijfsmodel, waarbij een uitgever kranten drukt en distribueert, wordt door internet uitgehold. Smit zegt het met klem: ,,Internet zet uitgevers buitenspel.” Tegelijk is hij ervan overtuigd dat de journalistiek blijft bestaan.

300 euro

Ondanks de afkalving zijn er nog altijd drie miljoen huishoudens in Nederland die 300 euro per jaar over hebben voor een krant. ,,Mensen zullen behoefte houden aan goede, betrouwbare, onafhankelijke en duidende journalistiek. Journalisten moeten zich daarom ontfermen over hun eigen toekomst. Ze moeten zich ondernemend opstellen. Dat kan ook. Online kunnen vraag en aanbod beter bij elkaar worden gebracht. Daarvoor hebben ze geen uitgever meer nodig.”

Graag mag de scheidend hoogleraar journalisten vergelijken met huisartsen. Zoals een huisarts voorziet in de behoefte aan zorg, zo voorziet de journalist in de behoefte aan informatie. Daarom raadt Smit journalisten aan, naar het voorbeeld van huisartsen, een maatschap op te richten van vakgenoten zodat ze online en interactief een gemeenschap kunnen bedienen.

De vraag is natuurlijk wie dat financiert. Bestaande uitgevers hebben de grootste moeite online inkomsten te vergaren. Het ontbreekt hen aan een verdienmodel. Smit put hoop uit twee initiatieven, die digitaal wel renderen.

De Correspondent

Het eerste voorbeeld is De Correspondent van oud-Groninger Rob Wijnberg. Die digitale krant, die is opgezet met crowdfunding, is nu twee jaar bezig en heeft meer dan dertigduizend ‘leden’. Die betalen daar 6 euro per maand voor. Dat bedrag kan mede zo laag worden gehouden omdat De Correspondent geen papier hoeft te drukken en distribueren. Smit: ,,Het is een geweldig initiatief, dat het bewijs levert dat het publiek bereid is voor online journalistiek te betalen.”

Het andere is het Britse zakendagblad Financial Times. Dat haalt het grootste deel van zijn omzet inmiddels uit online. Het is een wereldmerk waaraan Nederlandse media zich bij lange na niet kunnen spiegelen, maar Smit voert het desondanks als voorbeeld op, omdat het blad groot is geworden met gespecialiseerde informatie. ,,Specialisatie betekent dat je een kwaliteit levert waar een bepaalde categorie mensen niet zonder kan. Juist daarom willen ze er online voor betalen.”

Dat is ook wat Smit er bij zijn studenten probeert in te hameren: ze moeten zich specialiseren. Op veel redacties heerst nog steeds de sfeer dat journalisten moeten rouleren. Als iemand vier jaar over de pensioensector heeft geschreven, dan wordt het hoog tijd dat hij wat anders gaat doen.

Boos

Smit maakt zich daar boos om. ,,Nee, iemand moet minstens twintig jaar over de pensioensector schrijven. Waarom? Omdat hij na drie jaar eindelijk weet hoe die sector in elkaar steekt. Hij begint de hoofdrolspelers te kennen en omgekeerd. Dan zegt men: dan verliest hij z’n kritische distantie en onbevangenheid. Dan wordt hij onderdeel van het systeem. Ik vind het zo’n verschrikkelijke onzin. Een professionele journalist weet dat lezers betalen voor zijn onafhankelijkheid. Die kun je maar een keer verliezen en dan ben je hem kwijt ook. Je moet je specialiseren tot je er bij neervalt. Als je je specialiseert, word je bijzonder. Op een gegeven moment gaan mensen denken: die persoon schrijft al zo lang over de pensioensector, dus moet zijn verhaal of analyse kloppen. Pas dan heeft het waarde.”

Verder maakt Smit zich ernstig zorgen over de waakhondfunctie van de journalistiek, vooral op regionaal niveau. Er zijn in zijn optiek nog nooit zoveel wethouders wegens integriteitsconflicten afgetreden als de afgelopen jaren.

,,Het punt is dat succesvolle mensen in hun eigen waarheid gaan geloven. Ze voelen zich bijzonder en stoppen met luisteren. Dat geldt net zo goed voor Louis van Gaal, Rijkman Groenink als voor de wethouder. Hoe zorg je ervoor dat die mensen met beide benen op de grond blijven? Dat is een taak van de raad van commissarissen, van het parlement, de gemeenteraad, een accountant of, niet te vergeten, iemands partner. In dat palet van checks and balances speelt de journalistiek een hoofdrol. Journalisten helpen de machtigen eraan herinneren dat er op ze wordt gelet, zodat ze binnen de lijntjes kleuren. Dat levert onnoemelijk veel maatschappelijk rendement op.”

Subsidie

Juist dat maatschappelijk rendement rechtvaardigt subsidie voor de journalistiek. Smit vindt de nutsfunctie van de journalistiek onomstreden. Als iets een nutsfunctie heeft, zo redeneert hij, dan is het dusdanig belangrijk voor de samenleving dat je er best gemeenschapsgeld aan kunt spenderen. In elk geval voor het ontbrekende deel dat niet door de markt wordt opgebracht.

Smit heeft voor de regionale journalistiek ‘een mogelijk toekomstmodel’ in gedachten. ,,Mijn idee is dat een paar oude rotten zich met wat jonge honden ontfermen over de informatiebehoefte van een gemeente of regio. Daarvoor richten ze een online krant op. In mijn fantasie wordt een derde betaald door de abonnee, een derde door de adverteerder en een derde door de gemeente. Laat de gemeente maar de huisvesting en de infrastructuur leveren. Ik vind dat gemeenten daar ernstig over moeten nadenken.”

Voorlichting

,,Wat hebben gemeenten de afgelopen twintig jaar gedaan? Ze hebben een onwaarschijnlijke hoeveelheid geld in voorlichting gestopt. Gemeenten barsten van de voorlichters en communicatiedeskundigen. Dat getuigt van een ouderwets, topdown model van leiderschap. Modern leiderschap daarentegen laat zich vrijwillig toetsen door online journalistiek dat het mede zelf financiert. Als je als gemeentebestuur je eigen checks and balances durft te organiseren, dan ben je stoer.”

Aan de nieuwe generatie journalisten die is klaargestoomd aan de RUG zal het volgens Smit niet liggen. ,,Hopelijk heb ik daar een bijdrage aan kunnen leveren. En zelf sta ik ook te popelen om weer journalistiek te bedrijven en verhalen te maken. Mijn specialisme is leiderschap, met name in het bedrijfsleven. Dat fascineert me mateloos.”

bron: Dagblad van het Noorden

Nog geen reacties.

Reageer