Rudolf de Kortelezing

jeroen-smit-safe-magazine-02Ik citeer: ‘Opportunisme is een algemeen menselijke drijfveer. Zeker in een financiële omgeving met aan targets gebonden bonussen. Leg die vooral aan banden. Maar om te beginnen is er een belangrijke taak bij de opvoeding van huis uit, op school, op de latere werkplek, in de collegiale werksfeer. Dat alles moet bijdragen aan het hoognodige innerlijke morele kompas.’

Dit zei de naamgever van deze eerste Rudolf de Korte – lezing toen hij na 13 jaar afscheid nam als voorzitter van het even oude Dutch Securities Institute! Een instituut dat ruim 16 jaar de deskundigheid, werkervaring en integriteit van spelers op de financiële markten beoordeelt. En zo hoopt, aan de voorkant, voordat het mis gaat, bij te dragen aan de ontwikkeling van dat ‘hoognodige innerlijke morele kompas’.

Dames en heren, het is een grote eer hier als relatieve buitenstaander, als onderzoekende journalist, in deze prachtige kerk soms klinkend als een dominee, iets te mogen zeggen over zoiets ingewikkelds als integriteit. Wat mij betreft begint het daar trouwens mee: onderkennen dat het ingewikkeld is!

Weten dat integriteit er niet altijd als vanzelf is. Dit is meteen een fors probleem: de meeste mensen denken hier niet over na. Zij vinden zichzelf integer. Gevaarlijk vind ik dat: wie over zichzelf zegt: ‘ik ben integer’ stopt met het denken over die eigen integriteit, met het onderhouden ervan. Het ontbreken van het besef dat je iedere dag aan je eigen integriteit moet werken is de belangrijkste voedingsbodem voor een hoop ellende.

Integriteit is als een spier die getraind moet worden om zijn werk goed te kunnen doen. Steeds opnieuw moeten we antwoord geven op de vraag: doe ik nu het goede? Voor integriteit geldt hetzelfde als voor een huis: als je het niet onderhoudt wordt het binnen afzienbare tijd een bouwval en onbewoonbaar verklaard. Ik kom daar zo op terug.

Afgelopen tien jaar heb ik twee keer een journalistieke reconstructie kunnen maken: het drama Ahold en De prooi. Met in de hoofdrollen allemaal keurige mannen, mannen zoals u en ik. Succesvolle mannen die geen moment twijfelden aan hun eigen waarheid, hun eigen integriteit, en uiteindelijk toch ten onder gingen aan een gebrek eraan. Allemaal dezelfde mannen, dezelfde achtergrond, huidskleur.

OECD en IMF hebben de afgelopen jaren vastgesteld dat een ontbreken van diversiteit in de besturen van financiële instellingen waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van die laatste zo ingrijpende crisis is. Laten we eerlijk zijn: zet 6-8 van die identieke succesvolle mannen in een bestuur en binnen de kortste keren is er sprake van groupthink, van tunnelvisie. Ze gaan werkelijk geloven dat het creëren van aandeelhouderswaarde het belangrijkste doel van hun systeembank is.

Ik geloof dat meer diversiteit de snelste weg naar meer integriteit is. Zo wordt je in een divers gezelschap gedwongen die vraag ‘doe ik nog het goede’ te stellen. Gedwongen te luisteren naar een ander geluid, andere invalshoek, achtergrond; het helpt echt. En zorgt, zo blijkt uit talloze onderzoeken voor betere besluitvorming, in ieder geval op middellange/lange termijn. Door hier bijna niets mee te doen zijn we bezig met de grootste kapitaalvernietiging van dit land.

Het schiet niet op. Heren kijk eens om u heen. Het lukt ons maar niet de ander naast ons aan te nemen, we gaan steeds maar weer voor een kopie van onszelf. Voor iemand die ons in ons gelijk bevestigd. Die ander, en dat kan trouwens ook best een hele andere man zijn, zien we niet staan.

Maar het heeft toch vooral iets tragisch, iets gedateerds, te moeten constateren dat vrouwen nog steeds niet mee doen. Vrouwen die grote verantwoordelijkheden willen dragen, wordt vooral uitgelegd dat ze zich als mannen moeten gaan gedragen. Dat is geen diversiteit, daarmee krijgen je mannen met een rok aan.

VNO-NCW voorzitter Hans de Boer vatte het probleem eind vorig jaar in NRC Handelsblad samen met de woorden: mannen hebben het gewoon niet voor de bril. En dan heeft hij het natuurlijk niet over oog voor vrouwen maar oog voor vrouwen als gelijkwaardige bestuurders, laat staan oog voor vrouwen als onmisbare schakel voor een goed bestuur.

Toen eind vorig jaar opnieuw duidelijk werd dat het percentage vrouwen op leidinggevende posities bedroevend laag blijft, niet in de buurt van de gewenste 30 procent komt, kreeg de verantwoordelijke minister van OC&W, Jet Bussemaker, weer de vraag of niet tijd werd voor een quotum, zoals in de ons omringende landen. Ze verzuchtte dat een quotum toch zo’n ‘paardenmiddel’ is.
Het zal u niet verbazen: ik geloof dat al die ‘onbewust onbekwame’ mannen een paardenmiddel juist nodig hebben. Alleen paardenmiddelen begrijpen ze, zetten aan tot actie. Dus of we zetten nu alles op alles en worden het eerste land dat het zonder quotum regelt of we slikken snel het paardenmiddel. Maar zo kan het echt niet langer.

En dan heb ik het alleen nog maar over diversiteit en vrouwen gehad. Voor het onderhouden van dat ‘innerlijke morele kompas’ is minstens zo belangrijk om op leidinggevende posities veel meer ruimte te maken voor de talenten van niet-autochtone Nederlanders en jongeren: echt luisteren jongeren die wel begrijpen wat ontwrichtende vernieuwing voor een industrie betekent. Als V&D op tijd de mensen had aangenomen die vragen durven te stellen op het terrein waarvan je niet weet dat je het niet weet, was het waarschijnlijk anders afgelopen.

Genoeg gedroomd: we kunnen vaststellen dat integriteit voorlopig nog onvoldoende door diversiteit zal worden gevoed.

We worden vooral geleid door mannen die in de kern in het goede willen doen, maar, elkaar versterkend, niet los kunnen komen van het spel van markt en strijd.
Ze scheppen een zeker genoegen in die constante competitie, de vergelijking waarin ze moeten opereren. Ze zetten alles op alles om daarin overeind te blijven.

Ze geloven dat in het gevecht het beste in mensen naar boven komt.
Als het nodig is zoeken ze daarbij de grenzen van de wet op. En uiteindelijk kunnen ze de verleiding vaak niet weerstaan om een bochtje af te snijden.

Het zijn de bekende Shakespeareaanse drama’s, waarin succesvolle leiders in hun eigen waarheid gaan geloven. De ruimte om te luisteren en te leren steeds kleiner wordt. Ze zijn constant bezig met winnen of verliezen, jager zijn of prooi…

De eerste keer dat ik hiermee werd geconfronteerd was in 1993, ik werkte als journalist voor Het Financieele Dagblad, verdiende 3800 gulden bruto. Op een feestje in New York ontmoette ik een Duitse bankier, van mijn leeftijd, hij was woedend. Hij had een bonus van 1 miljoen dollar gekregen. Hij was er ten diepste van overtuigd dat hij meer geld voor de bank had verdiend dan zijn buurman die, van dezelfde baas, een bonus van 1,5 miljoen dollar had gekregen.

Wie te diep in dat spel zit verliest zichzelf, verliest zicht op ‘het goede doen’. Het gaat niet om de hoogte van het bedrag, het gaat om de vergelijking, om winnen of verliezen.

Waarom ging RBS-baas Fred Goodwin in 2007 door met het overnamegevecht rond ABNAmro terwijl zijn belangrijkste doel, AA-dochter LaSalle al verkocht was? Ik geloof dat hij gewoon niet wilde verliezen van de andere bieder: Barclays-baas John Varley In de Britse media was de overname een wedstrijd tussen die twee mannen geworden.

Mannen die een leven lang gewend zijn te winnen, gewend zijn om bovenop te liggen, die accepteren het niet als ze een keertje verliezen. Stilstaan bij de vraag of ze op zo’n moment nog het goede doen kunnen ze simpelweg niet meer. Het komt niet in ze op.

Gewone mensen willen graag geloven dat hun leiders hoog in de toren, ver kunnen zien en verstandige besluiten nemen. Dat ze zich over ons, de lange termijn en het geheel ontfermen omdat hun horizon nou eenmaal een stuk verderop ligt.

Ik twijfel er niet aan dat de meeste leiders dat best zouden willen, maar er nauwelijks aan toe komen omdat ze dag in dag uit worden gefrustreerd door allerlei wedstrijdjes, vergelijkingen en andere dagkoersen.
De dag na de beursgang van ABNAmro hoorde ik een interview met bestuursvoorzitter Gerrit Zalm op Radio 1. Eerder had hij op gedragen toon gesproken over gematigde, verantwoorde rendementen, maar toen was de bank nog helemaal in handen van de Staat. Nu klonk hij bijna vechtlustig. Hij vertelde hij dat hij een appje op zijn telefoon had geïnstalleerd met daarin de aandelenkoersen van AA en ING naast elkaar. Als de baas daar echt iedere dag regelmatig naar gaat kijken is een perverse prikkel niet ver weg.

Het klinkt logisch en onschuldig maar ik moest toch even denken aan een van mijn eerste interviews voor het Financieele Dagblad in 1991 met Hoogovens-baas Olivier van Royen. Op de vraag of hij regelmatig naar de koers van zijn aandeel keek schudde hij meewarig het hoofd. Dat was een domme vraag: de staalprijzen waren belangrijk maar ach die aandelenkoers: die ging omhoog en omlaag, al dat sentiment, daar kon hij als bestuurder niks mee.

Het is 25 jaar geleden maar wat mij betreft heeft Van Royen nog steeds gelijk: een bestuurder die zich van dag tot dag laat inspireren door aandelenkoersen loopt het risico dat hij zich laat verleiden omzich vooral met de korte termijnresultaten en aandeelhouderswaarde bezig te houden. We weten sinds 2008 hoeveel pijn dat kan doen.

Begrijp me niet verkeerd. Ik denk dat de beursgang van ABNAmro logisch en onontkoombaar was. Wat moeten ambtenaren en politici immers met een bank? Maar het zal een dagelijkse oefening in integriteit vergen, om te voorkomen dat de nieuwe dagkoersen van het aandeel niet op nieuw te belangrijk worden.

Dames en heren: ik merk dat u denkt: mooi verhaal hoor Smit integriteit-leiderschap, maar dit gaat dus niet over mij, ik ben die grote baas niet.

Onzin: deze zaal is gevuld met succesvolle mensen, mensen met een verantwoordelijkheid. We worstelen allemaal met onze integriteit, hebben allemaal de neiging na verloop van tijd in onze eigen waarheid te gaan geloven. En wie eenmaal in zijn eigen waarheid gelooft, stopt met luisteren. Heeft geen enkele zin of behoefte meer om te luisteren naar anderen. Wie stopt met luisteren, denkt dat hij over water kan lopen. En gaat denken dat gewone wetten voor gewone mensen zijn. Gezond narcisme slaat om in ongezond narcisme. En dan is het een kwestie van tijd voor het drama zich aandient. Ik zei het al: klassiek.

Gelukkig leren we ook. Door de snel toegenomen betrokkenheid en transparantie vooral ook op de financiële markten de afgelopen 25 jaar kijkt het grote publiek steeds nadrukkelijker mee. De crisis heeft ervoor gezorgd dat de verontwaardiging enorme proporties heeft aangenomen, het gebrek aan vertrouwen in de financiële sector is groot.

Er is al veel gebeurd, maar ieder nieuw incident en die zullen zich aandienen, zal de roep om strengere regels, hardere straffen weer oplaaien. En als de sector, al die beëdigde bankiers, vanaf nu niet regelmatig laten zien dat ze boodschap hebben begrepen, kan de politiek volgens mij niet anders dan de roep om zwaardere straffen te honoreren.

Ik begrijp de oproep van DSI-directeur Dirk Schoenmaker in zijn recente nieuwjaarsrede dan ook goed. Gooi de luiken open, zet de angst voor reputatie-schade opzij, laat aan iedereen zien dat er hard wordt gewerkt aan een schone sector: hang vooral zelf de vuile was buiten! De Korte had het er in dat afscheidsinterview ook al over. Hij waarschuwt: affaires worden door de sector vaak gedempt. De angst voor reputatieschade zit diep. Zonde vindt hij want: naming and shaming werkt!

Natuurlijk doet dat pijn, maar het is penny-wise pound foolish te denken dat je de reputatie goed krijgt door de vuile was binnen te houden.

Laat zien dat je met een grote schoonmaak bezig bent. Dag in -dag uit! Als dat de komende tijd te weinig gebeurt dan ontkomt de sector er niet aan dat het eigen tuchtrecht, dat steeds meer mogelijkheden biedt, straks toch wordt ingehaald door het strafrecht. Nog zo’n crisis en de mogelijkheden voor de sector voor zelfregulering zullen snel opdrogen.

Ik vind het is in dit verband jammer dat de leiders in de financiële sector zelf niet door de molen van DSI-certificering heen hoeven gaan. Enerzijds is dat logisch: zij hebben waarschijnlijk niet de helft van de tijd contact met klanten, hebben dus niet zoveel aan een driejaarlijkse toetsing op hands-on kennis en vaardigheden.

Aan de andere kant is de tone at the top bepalend voor de animo van de rest. De leider moet het voorbeeld geven. Ik begrijp van DSI dat ze spelen met de gedachte om een speciaal register op te zetten voor bestuurders, opdat ook hun integriteit regelmatig wordt getoetst. Ik zou er morgen mee beginnen.

Zo’n initiatief valt mooi samen met de recente aanbevelingen van de Corporate governance Commissie Van Manen met betrekking tot het langzaam maar zeker volwassen worden van het toezicht op bestuurders. De aanbevelingen zijn doordrenkt van de boodschap: heb meer aandacht voor het gedrag, voor de tone at the top. Van Manen heeft het terecht over de noodzaak voor een bestuur om waarden vast te stellen die bijdragen aan de waardencreatie op lange termijn. Hij vindt zelfs dat hierover verantwoording moet worden afgelegd in het bestuursverslag. Het is een duidelijke oproep: zorg voor meer focus op de lange termijn, zorg voor meer diversiteit in besturen, zorg voor veel meer aandacht voor gedrag van bestuurders.

Ik moest bij lezing van dit advies denken aan een interview dat een paar jaar geleden maakte met Manfred Kets de Vries, leiderschapsleraar aan Insead. Hij stelde dat alle leiders in zekere zin ‘insecure overachievers zijn, dat ze allemaal last hebben van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en dat het dus van belang is om in iedere Raad van Commissarissen, Raad van Toezicht een psychiater te hebben. U lacht erom, maar waarom niet?

Terug naar de oproep van DSI-bestuurder Schoenmaker: laat zien dat er hard gewerkt wordt aan het opschonen van de sector. Daar moeten echt forse stappen worden gezet. Iedereen zegt dat zelfregulering helpt maar niet 1 instelling vermeldt op de website of elders hoeveel procent van hun werknemers DSI-gecertificeerd is.

Dat klopt niet. Laat zien dat het groeit, dat je er mee bezig bent. De politiek heeft hier ook een rol. Naar verluidt roept de Zweedse minister van Financiën de instellingen op zich te registreren bij de DSI van haar land: de Swedsec Licensiering. Misschien kan minister Dijsselbloem straks een duit in dit zakje doen!?

De minister lijkt er zin in te hebben. De benoeming gisteren, op verzoek van de AFM, van drie onafhankelijke deskundigen om het slepende dossier van die 17.000 mkb-rente-derivaten-constracten vlot te trekken, geeft moed. Fijn dat de banken dit initiatief ondersteunen. Ik hoop van harte dat dit drietal, Ben Knuppe, Rutger Schimmelpenninck en Theo Kocken straks vol in gaan zetten op: openheid! Hoe zijn die derivatencontracten tot stand gekomen en hoe verhoudt dat proces zich tot de zorgplicht van banken anno 2016! Hier moeten van worden geleerd!

Laat het zien, verbind je aan het goede! Vorig jaar heb ik opgeroepen tot iets soortgelijks voor journalisten. Ook zo’n vrij beroep dat kampt met een matig vertrouwen. Ik vind dat journalisten ook aan hun publiek op een voor dat publiek controleerbare wijze (in bijvoorbeeld een voor iedereen toegankelijk online register) duidelijk zouden moeten maken voor welke kwaliteit ze staan. (betrouwbaarheid, zorgvuldigheid, wederhoor, etc).

Het laten zien, het uitdragen waar je voor staat, disciplineert. Vooral ook de wetenschap dat de hele wereld kan controleren of jij daar als professional voor staat. Het helpt het individu om regelmatig stil te staan bij de vraag: doe ik het goede nog?

Wat helpt bij het onderhouden van het antwoord op die vraag is het blijven zien van klanten. Het werkelijk ontmoeten van echte levende klanten. Het is mij opgevallen dat op bijna alle plekken waar het de afgelopen jaren is mis gegaan, juist ook in de financiële sector, bestuurders geen tijd meer hadden om klanten te zien. Klanten met hun noden, zorgen ervoor dat je je op een fundamenteel niveau weer realiseert waarom je dit werk doet.

Het helpt dan ook helemaal niet dat als gevolg van onvermijdelijke automatisering voor veel professionals het contact met klanten op afstand is komen te staan. Het is lang geleden dat ik als prive-persoon een bankier heb gezien. Ik kan mij goed voorstellen dat het voor een bankier die de hele dag achter een scherm zit, iemand waarvoor klanten nog nauwelijks van vlees en bloed zijn, het makkelijker is om bochtjes af te gaan snijden. Automatisering van het vak van bankiers, vormt in die zin een bedreiging voor de integriteit.
Aan de andere kant: ik vroeg laatst in een gezelschap van bankiers hoeveel er nog over zullen zijn in 2025….de schattingen liepen uiteen van 15.000 tot 25.000. Als je het zo bekijkt is automatisering een zege voor het integriteitsvraagstuk. Van niet integere computers heb ik nog niet gehoord, die hoeven geen eed af te leggen.

Meer diversiteit, beter toezicht, meer openheid: het zal allemaal helpen. Maar laten we eerlijk zijn, als het om integriteit gaat zullen we het uiteindelijke toch vooral zelf moeten doen.

Zullen we allemaal, individueel, moeten onderkennen dat onze integriteit iedere dag wordt bedreigd, wordt uitgedaagd….En zullen we er dus zelf, iedere dag, even mee bezig moeten zijn….op een manier die bij ons past.

Want we worden allemaal uitgedaagd. Steeds weer opnieuw. De omstandigheden veranderen en opeens sta je voor de keuze. Zal ik het doen of niet. Ach de baas bestelt toch ook altijd de duurste fles wijn?! Het begint klein, een pennetje van de zaak in eigen zak, een bonnetje op de verkeerde prikker en het kan, als de omstandigheden het mogelijk maken, vervolgens groot en ellendig eindigen.

Pijnlijk en leerzaam zijn verhalen van Cees van der Hoeven en Michiel Meurs, Jan van Vlijmen, Hubert Mollekamp, Serge Bakker. Hoofdrolspelers in affaires waar bedrijven als Ahold, Bouwfonds, Rochedale en ABNAmro de dupe van werden. En natuurlijk niet alleen die bedrijven, maar ook hun klanten, aandeelhouders, huurders, etc.

Nu neemt u afstand, ik hoor u denken: maar dat zijn boeven! Dat gaat niet over mij! Inderdaad, zij zijn strafrechtelijk vervolgd en ze zijn veroordeeld. Volgens die definitie zijn het boeven. Maar zijn ze zo geboren, of zijn ze zo, ook door omstandigheden, geworden? Zijn ze slim-slecht of zijn ze dom slecht?

Daarmee bedoel ik: zijn het psychopaten, gewetenloze dieven die willens en wetens leiding gaven aan strafbare gedragingen of dachten ze, na al het applaus dat ze hadden gekregen, dat ze zich dit konden permitteren?
Dachten ze misschien dat ze met zulke grote belangrijke zaken bezig waren dat gewone wetten even alleen voor gewone mensen leken te gelden?

Ik geloof dat veel van dit soort ‘boeven’ na vele goede succesvolle competente jaren als het ware incompetent zijn geworden, niet meer zagen wat ze moesten zien. Noem het hubris, noem het hoogmoed. Daarom kunnen we van ze leren: als deze mannen zo de fout in kunnen gaan, waarom wij dan niet?

Ik begrijp het, natuurlijk is verleidelijk te roepen: maar ik ben integer! Dat overkomt mij niet. Dat kan niet! Ik zal nooit het verkeerde pad op gaan. Dat is mij met de paplepel ingegoten.

Als ik aan deze zaal zou vragen wie twijfelt aan zijn/haar integriteit gaat er niet een hand om hoog. Toch? Wie twijfelt wel eens aan zijn/haar integriteit?

Ik zei het al: juist die houding is zorgwekkend. Want niemand is integer. We doen er dus allemaal goed aan iedere dag een beetje aan onze eigen integriteit te twijfelen.

Niet in de laatste plaats omdat wat we hier en nu niet integer vinden in een andere omgeving op een ander moment opeens wel lijkt geoorloofd. Het zijn de omstandigheden die bepalen hoe integer we zijn. Kent u het werk van Dan Ariely. The honest truth about dishonesty? Ik ben een grote fan van deze Amerikaanse hoogleraar en gedragseconoom.

Zijn stelling: 1 procent jokt nooit: vreselijke mensen. 1 procent jokt altijd: vreselijke mensen….de rest (wij dus) jokt altijd een beetje. De omstandigheden bepalen hoeveel. En hij levert er prachtig bewijs voor. Ik geef een korte versie zoals ik mij zijn verhaal herinner: De onderzoeker zette steeds opnieuw 1000 mensen in een zaal en gaf ze de opdracht in 20 minuten 40 rebussen op te lossen. Na die 20 minuten kregen ze de sleutel/de oplossingen en mochten ze hun eigen werk nakijken. Niemand die dat zou controleren.

In de eerste sessie was de score zo’n 7 goed. Dat was de nulmeting. 1000 nieuwe deelnemers krijgen te horen dat ze voor ieder goed antwoord naar de kassa mochten om een dollar op te halen. De score ging naar 9. Bij het nakijken keurden we doorgekraste antwoorden toch goed…we hadden het toch goed?! We vonden een goede aanleiding om een beetje te jokken, een perverse prikkel.

In een volgende sessie laat hij vlak nadat het nakijken is begonnen, een acteur opspringen: die roept: niet te geloven alle 40 goed….wat denkt u dat er met het gemiddelde gebeurt: omhoog natuurlijk. Prachtig bewijs ook dat het leiderschap, de tone at the top, in hoge mate de omstandigheden bepalen. U herkent het. Ik noemde het al: als bekend wordt dat de baas bij ieder etentje de duurste fles wijn bestelt, gaat de meeste andere werknemers ook de duurdere flessen aanwijzen.

Dan de laatste die ik even met u wil doornemen: opnieuw 1000 verse kandidaten die met die 40 rebussen aan de slag mogen….maar voor ze beginnen moeten ze de tien geboden lezen…Amerikaans. Maar toch, we kennen ze allemaal: Doe een ander niet wat je niet wil dat jezelf geschiet. Wat gebeurt er met het gemiddelde?: gaat bijna terug naar de nulmeting: toen er nog geen geld aan de uitslag was verbonden..

Wat gebeurt hier? We reflecteren op ons handelen, we kijken in een spiegel. We worden geconfronteerd met wie we zijn. De mens, het kind in ons. Met wat we belangrijk vinden. En we weten: dit is belangrijk. Hier gaat het om. En dus doen we het goede!

Een tijd terug heb ik in een lezing voor belastinginspecteurs dit verhaal vertelt en uitgelegd dat ze op vrij simpele wijze miljarden kunnen verdienen. Bij mijn weten wordt steeds na het invullen van het belastingformulier gevraagd te beloven dat je het eerlijk hebt ingevuld. Stom: daar moet je dus mee beginnen, die vraag moet je stellen voordat mensen hun aangifte gaan…even in de spiegel kijken…ik zeg het u: het zal miljarden schelen!!

Op het juiste moment even bezig zijn met de eigen integriteit, daar gaat het om. Zoals De Korte al zei: ‘het opdreunen van een moreel-ethische verklaring is onvoldoende.
Eens: Ga het onderhouden. Ga bij steeds weer bij jezelf naar binnen, maak contact met wat daar leeft. Iedereen moet voor zich bepalen hoe hij of zij dat doet: let steeds een tijdje op je ademhaling, tel tot tien, maak een wandeling.

Ik ben ervan overtuigd dat je door het trainen van die integriteits-spier als vanzelf blijft kiezen voor wat op de lange termijn van belang is, voor de gezondheid van de eigen psyche en de omgeving waarin je opereert.

Constant werken aan de eigen integriteit is nodig om je werkelijk aan die omgeving te verbinden je over die omgeving te ontfermen. En de wereld een beetje beter over te dragen aan de generatie die na ons komt!

Wie daar vanaf vandaag werk van maakt, onderhoudt zijn ‘innerlijke morele kompas’ en zorgt ervoor dat het opportunisme, waar we ons allemaal, net als DSI-ere-voorzitter Rudolf de Korte, zulke grote zorgen over maken, aan banden wordt gelegd.

Nog geen reacties.

Reageer