Over Jeroen Smit

Met dank aan economie-docent Kijlstra, zijn inspirerende manier van lesgeven (op het Alexander Hegius College in Deventer) heeft ervoor gezorgd dat Smit in 1981 besloot de toen nog postpropeadeutische studie Bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen te gaan doen. De snelste weg naar zo’n propeadeuse bleek Sociologie. Zijn afstudeerstage bij Buhrmann Tettenrode (nu Buhrmann) waar hij een scriptie schreef met de pompeuze titel ‘Hoe lang blijft papier de belangrijkste drager van informatie?’, kwam tot stand in een zeer hiërarchische en vooral bureaucratische omgeving. Smit twijfelde aan zijn Bedrijfskundige roeping: wilde hij het bedrijfsleven eigenlijk wel in?

Via-via kwam er (in 1986) een verzoek een tijdje in Indonesië te werken voor BCI, (Business Consultancy Indonesia). Smit moest daar bedenken hoe een producent van photovoltaïsche zonne-energie op een optimale manier gebruik kon maken van de door minister Jan Pronk indertijd ruimhartig opengestelde ontwikkelingsfondsen. Na vervolgens op verzoek van een Nederlands bedrijf als een soort privé-detective de gangen van hun dubieuze Indonesische partner te zijn nagegaan, besloot Smit dat het tijd werd voor een echte carrière.

In Nederland werd hij (1988) ingehuurd door DCE Information Management Consultants. Als gevolg van de toen woedende automatiseringshype een snel gegroeid adviesbedrijf. Zijn nieuwe collega’s waren ervan overtuigd dat het grote bedrijfsleven niet om een Chief Information Officer heen kon en ze dus Bedrijfskundigen nodig hadden voor de meer strategische adviezen. Een van Smit’s bazen sprak zelfs over McKinsey-achtige consultancy. De junior-consultant werd op allerlei projecten ‘weggezet’ bij ministeries en bedrijven voor ongeveer 1800 gulden per dag. Hij werd geconfronteerd met belangwekkende kwesties als: ‘inventariseer de wensen en eisen voor de nieuwe informatie-infrastructuur voor het ministerie van Sociale Zaken’. Ondanks de glimmende gloednieuwe leaseauto ervoer de jonge Bedrijfskundige dit vooral als een droevige tijd: prestatie en beloning kwamen op geen enkele manier bij elkaar. Veel praten, veel rapporten, en vooral veel werk dat de opdrachtgever een alibi moest verschaffen om iets wel of niet te kunnen doen.

Al snel ging een groot deel van Smit’s energie naar de vraag: wat wil ik dan wel?!

Het antwoord lag voor de hand: schrijven. Op de School voor Journalistiek volgde Smit de cursus ‘Journalistiek Schrijven voor Academici’ om die gedachte verder te onderzoeken en langzaam maar zeker groeide het besef dat hij die schrijvende journalistiek wel in wilde. Een goede vriend, die na de advocatuur en Philips bij Het Financieele Dagblad terecht was gekomen, vormde een bron van inspiratie. Smit werd er (januari 1990) met open armen ontvangen. De eerste jaren schreef hij veel over de energiesector (Shell, Gasunie, Europese liberalisering), vervolgens kreeg hij de portefeuille ‘industrie’. Vanaf dat moment woonde hij vrijwel op de redactie en schreef hij lange pagina’s vol over de malaise bij DAF en Fokker, de problemen van Joep van den Nieuwenhuyzen en bij het trotse Hoogovens. Smit mocht met EZ-minister Koos Andriessen mee voor naar China, waar deze minister wanhopige pogingen deed de Chinezen zoveel mogelijk Hollandse waar te slijten. Een journalistiek hoogtepunt waren talloze onthullingen (waaronder een geheim reddingsplan) die Smit samen met roemruchte collega’s Menno Tamminga (inmiddels NRC Handelsblad) en Gijs Herderschee (inmiddelsVolkskrant) in HFD publiceerde. Het drietal werd hiervoor gelauwerd met ‘De Financiële Persprijs 1994’

Het Algemeen Dagblad kreeg ondertussen een nieuwe hoofdredacteur, Peter van Dijk. Die besloot dat de krant onder zijn leiding drie stevige poten zou krijgen: binnenland, sport en economie, en vroeg Smit chef van de economieredactie (1994) te worden. Bij Het Financieele Dagblad, die uiterst valide en geaccrediteerde bron, verklaarden zijn collega’s hem voor gek: wat kon hij nou bij die populistische Rotterdamse krant leren?! Maar Smit leek het vooral een mooi avontuur.

Bij het Algemeen Dagblad werd hij geconfronteerd met een zeer Rotterdamse redactie van 18 man/vrouw sterk, waar de jongste collega, na de op dat moment dertigjarige Smit, halverwege de veertig was. De eigenwijze Amsterdamse academicus moest flink aan de bak om gehoord te worden. Het hielp enorm dat hij de OMO Power-scoop in zijn schoot geworpen kreeg. In het voorjaar van 1994 opende het Algemeen Dagblad met ‘Oorlog om waspoeder’ en werd Unilever uiteindelijk gedwongen het gloednieuwe wasmiddel, waar ze niet goed over hadden nagedacht, sneller uit de markt te halen dan het erin was gezet.

Eind 1995 werd het Algemeen Dagblad samen met NRC Handelsblad verkocht aan PCM (eind 1995). Een (zo zou later blijken) dramatische combinatie. De efficiency en slagkracht van de Elsevier-dochter NDU werd in een paar jaar tijd vernietigd door de enorme trage bureaucratie van het door stichtingsbesturen geleidde PCM, waar toen al heel veel energie verloren ging door ruzies tussen Volkskrant, Trouw en Het Parool. Toenmalig bestuursvoorzitter Cees Smaling wilde vooruit, repte in 1997 al van een noodzakelijke beursgang, maar haalde keer op keer bakzeil bij angstige redacties die werden gesteund door angstige stichtingsbesturen. Het arme Algemeen Dagblad dat onder Peter van Dijk met een forse kwaliteitsverbetering net de concurrentie met De Volkskrant had opgezocht, moest opnieuw een draai maken om de Volkskrant en Trouw niet in de wielen te rijden: ga het gevecht met De Telegraaf in Rotterdam aan.

Na vier intensieve jaren, gevuld met het maken van dagelijkse economiekaternen, veel kwaliteitscontrole en nog meer functioneringsgesprekken, merkte Smit dat zijn effectiviteit afnam, het einde kwam in zicht. Eind 1997 kreeg hij het verzoek om een half jaar als docent aan de Postdoctorale Opleiding Journalistiek aan de Erasmus Universiteit te werken. Samen met Ite Rümke van NRC Handelsblad stortte Smit zich op de scholing van 20 gemiddeld 27 jaar oude academici die graag de journalistiek in willen. ’s Ochtends college over verschillende onderwerpen, s’middags stukken schrijven en krantjes maken. Hij genoot: wat is er nou leuker dan kennis overdragen aan zonder uitzondering getalenteerde en vooral zeer gemotiveerde studenten. Die weten bovendien dat ze aan het einde van die vijf maanden op de universiteit voor drie maanden een stageplaats krijgen bij een van de grote kranten en daar kunnen laten zien wat ze kunnen.

Mei 1998 werd Smit benaderd door Elsevier Bedrijfsinformatie Amsterdam (onderdeel van Reed Elsevier en tegenwoordig Reed Business geheten) met het verzoek om in de rol van hoofdredacteur van het tweewekelijkse blad FEM (Financieel Economisch Magazine) een weekblad te maken. Een mooie uitdaging, de economie groeide hard, adverteerders vochten om een plaatsje en er was dus volop geld om de redactie fors te laten groeien tot zo’n 32 mensen. Smit bedacht dat hij het blad graag Willem (een oerHollandse naam, ondermeer van die meest ondernemende Koning Willem I) wilde noemen, links en rechts overtuigde hij betrokkenen totdat de grote baas in Amsterdam, Derk Haank, André van Duin’s Willempie begon te neuriën. Het werd FEM/DeWeek. Het blad kreeg als credo: economie is ook leuk: bedrijfseconomie, sociale en algemene economie werden aan elkaar gekoppeld in een breed opinieblad over economie. De betaalde reguliere oplage verdubbelde in drie jaar tijd naar ruim 20.000. Gegrepen door internet, de nieuwe economie en de naderende fin de siècle bedacht de redactie talloze nieuwe onderwerpen. Een van de meest opwindende was FEM/DeDag, een van de eerste dagelijkse gratis nieuwsbrieven waar de redactie spectaculaire nieuwtjes en andere wetenswaardigheden kwijt kon. In korte tijd had de nieuwsbrief bijna 20.000 abonnees en werd FEM/DeDag op vele plekken als bron voor nieuws opgevoerd.

In 2000 werd Smit benoemd als hoofdredacteur/uitgever van FEM/DeWeek. Hij vond en vindt dat hoofdredacteuren één op één verantwoordelijk moeten zijn voor de betaalde oplage, voor de relatie met de abonnees. Redacties bestaan bij de gratie van hun lezers, alleen als die goed worden bediend, hebben ze bestaansrecht.

In het voorjaar van 2002 voorzag de gloednieuwe directeur Lex Rozenbroek, een bladenmaker die naar inkt ruikt, problemen (de advertentiemarkt gleed weg) als Smit zijn voorgenomen sabbatical van vier maanden eind dat jaar op zou nemen. Hij stelde ‘zijn’ hoofdredacteur voor de keuze: geen ultralange huwelijksreis en doorbuffelen of plaats maken. Smit koos voor het laatste. De dubbelfunctie had veel gevergd en ook nu kreeg hij in de gaten dat een hoofdredacteur die intensief met zijn blad en redactie bezig is, na een jaar of vier minder effectief wordt. De collega’s weten dan wel zo’n beetje wat de hoofdredacteur wil en verwacht, ze hebben overgenomen wat ze zelf interessant vinden.

Na bijna 200 weekbladen te hebben gemaakt, werd het tijd voor Smit om ‘zijn kindje’ los te laten. Hij stelde nog wel zijn opvolger aan Rozenbroek voor: Mike Akkermans. Samen met Lex zorgde Mike er de afgelopen drie jaar (moeilijke tijden) voor dat het blad een draai maakte richting managers, hij veranderde de titel daarom in FEM/Business.

Na in zes adembenemende maanden de wereld rond te zijn gegaan stonden Smit en de vrouw van zijn leven in maart 2003 weer in Amsterdam. Smit kreeg een telefoontje van Marc Josten, eindredacteur van het KRO-programma Reporter. Hij vroeg of hij samen met Jos Slats een documentaire over Ahold wilde maken, het bedrijf was een paar weken eerder met een donderend geraas omgevallen. In vier maanden tijd spraken ze enkele tientallen betrokkenen en maakten ze, de documentaire ‘Keizer Cees’. Halverwege deze journalistieke puzzel bedacht Smit zich dat dit een ideaal onderwerp was voor een boek. Slats was en bleef in dienst van de KRO en dus moest hij dat alleen gaan doen. In de daarop volgende acht maanden is Smit helemaal in Ahold ondergedompeld, de helft van die nachten droomde hij over voormalig bestuursvoorzitter Cees van der Hoeven. Met steun van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten kon Smit uiteindelijk bijna 100 interviews doen met bijna 70 direct betrokkenen. Van het ene contact kwam het andere, per saldo sprak hij met bijna alle belangrijke spelers. Eind februari 2004, precies een jaar nadat Ahold was omgevallen, presenteerde uitgeverij Balans , het resultaat met Het Drama Ahold.

Als hoofdredacteur van FEM/DeWeek had Smit Michiel Bicker Caarten, hoofdredacteur van BNR Nieuwsradio, leren kennen. Regelmatig deed hij in die tijd mee als panellid mee met zijn programma Café Vondel. Ze waren allebei in 1998 als hoofdredacteur met iets nieuws begonnen en kwamen vaak dezelfde obstakels in een toen nog weinig vernieuwen medialandschap tegen. Zijn businesszender werd een succes en is inmiddels een broertje van Het Financieele Dagblad. Bicker Caarten vroeg in de zomer van 2003 of Smit het programma Mediazaken wilde presenteren. Iedere zaterdag, live tussen 16.00 en 17.00.

Televisieproducent Jan van Galen, van Morton Hill (een zusje van tv-productiebedrijf Dullaert en Dumas) vroeg begin 2004 of Smit invulling wilde geven aan een verzoek van Teleac om een televisie-programma over de kenniseconomie te maken met captains of industry en topwetenschappers. Een ingewikkelde opdracht, waarbij Smit zich bedacht dat het onderwerp misschien zou boeien als ze het zouden hebben over de vraag waar de welvaart van onze kinderen in 2025 vandaan zou moeten komen. Het antwoord op die vraag zou inzichtelijk kunnen maken waar onze kenniseconomie nu behoefte aan heeft. Het programma dat laat op de woensdagavond op Nederland 1 werd uitgezonden ging ‘Welvaart 2025, de fantasie van….’heten en de belangrijkste bestuursvoorzitters van Nederland toonden zich enthousiast en deden mee. De ontmoetingen werden multimediaal vastgelegd omdat Fred Bakker, hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad, vroeg of Smit niet iedere ochtend voor de uitzending een verslag van die ontmoeting in zijn krant wilde zetten.

Boek en radio zorgden in 2004 voor verschillende nieuwe verzoeken/werkzaamheden. Smit besloot het vrije bestaan als éénpitter verder uit te bouwen, vooral ook omdat zoon Jack zich inmiddels had aangediend (maart 2004) en deze manier van leven en werken voor veel ruimte een vrijheid zou zorgen. Sinds mei 2004 heeft Smit huis en kantoor gescheiden. Het werk als publicist/presentator wordt nu verzet op de Ruysdaelstraat 88-90, 1071 XH in Amsterdam.

In 2005 werd Het Drama Ahold onderscheiden met de prijs ‘management boek van het jaar’. In 2006 kreeg het boek de prijs ‘het meest journalistieke boek van 2004-2005′. Augustus 2005 werd zoon Rover geboren.

In 2006, 2007 presenteert Smit voor BNR Nieuwsradio de programmas BNR Laat en Marktveroveraars. HIj valt af en toe in als presentator van de actualiteitenrubriek NOVA. Soms zit hij daar als financieel-economisch commentator.

Als in april 2007 duidelijk wordt dat ABN Amro haar zelfstandigheid verliest besluit Smit daar een boek over te schrijven. In de daarop volgende anderhalf jaar heeft hij 133 interviews met de hoofdrolspelers en stelt ze steeds weer de centrale vraag voor deze reconstructie: hoe is het mogelijk dat zo’n icoon, zo’n succesvolle bank, de regie over de eigen toekomst helemaal kwijt raakt.

Het boek De prooi, blinde trots breekt ABN Amro, verscheen op 30 oktober 2008, precies een jaar na het verdwijnen van De bank. Het boek wordt aangeboden aan Frank Heemskerk, staatssecretaris van Economische Zaken en oud-werknemer van ABN Amro.  Inmiddels zijn er 250.000 exemplaren van verkocht.

Het boek won verschillende prijzen waaronder de De Loep, de prijs voor de beste onderzoeksjournalistiek uitgereikt door de VVOJ (Vereniging van Onderzoeksjournalisten) 2009.

Begin 2010 kreeg Smit voor De prooi, de Machiavelli prijs.

In 2010 was Smit presentator van Buitenhof voor de NPS. Omdat de NPS uit de samenwerking met de VPRO en de VARA stapte was dat avontuur van korte duur.

November-december zal de serie ‘Leiders Gezocht’ worden uitgezonden. In dat programma gaat Smit op zoek naar het antwoord op de vraag: wat voor leiderschap is nodig in de 21-ste eeuw?!