Bedrijven zijn niet heilig, maar kunnen een beslissende rol vervullen in het verbeteren van de wereld, schrijft .

bron: NRC

Het kapitalisme ligt onder vuur. Volgens de critici is er, ruim tien jaar na de kredietcrisis, nog steeds geen sprake van een „nieuwe moraal aan de top”. De ergernis is begrijpelijk. Stijgende bedrijfswinsten en gelijkblijvende lonen, het wegkijken van bedrijven bij de oplossing van klimaat- en integratieproblemen, de druk op kortetermijnwinst en het niet betalen van dividendbelasting: de welvaart waarin een kleine elite zich wentelt, komt onvoldoende ten goede aan de rest van de samenleving.

Het Grote Bedrijfsleven heeft last van een cynisch sentiment: regels gelden voor ons allemaal, behalve voor de multinationals die zo groot en machtig zijn dat zij zich hieraan kunnen onttrekken. Denk aan de weerstand die de Big Tech oproept, en de actuele kritiek op Facebook. Organisaties en hun bestuurders worden op social media en in twitterstormen 24/7 moreel getoetst en hartgrondig veroordeeld. De toon: selectieve verontwaardiging, het verwijt: de markt heeft geen moraal.

De morele veroordeling van het bedrijfsleven draagt niet bij aan een dialoog. Mensen zetten het kapitalisme vast in beelden, als in een kinderlijke botsing van systemen. Aan de ene kant het beeld van de foute wereld van de koopman, in de woorden van ex-Unilever-topman Paul Polman „halve mensen”, managementdenkers die rijk zijn ten koste van de ander. De aandeelhouder staat centraal, de economie heeft het primaat en de moraal heeft er geen eigenaar. Aan de andere kant leeft het beeld van de wereld van „hele mensen”, die rijk zijn ten bate van de ander. Het is een goede wereld waarin dominees zich verzetten tegen de hebzucht: het stakeholdermodel, waarin de moraal boven de markt gaat. Dit is precies het beeld dat oprijst uit Het grote gevecht, het nieuwe boek van Jeroen Smit over Paul Polmans leiderschap bij Unilever.

Het goede doen

Het kapitalisme heeft meerdere gezichten. Bedrijven denken de ene keer vanuit eigenbelang en de andere keer oprecht aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. De een wil geld verdienen om het goede te doen, de ander wil waarde creëren door het goede te doen. Ieder weldenkend mens weet dat het kapitalisme sinds de Tweede Wereldoorlog vrede, voorspoed en vooruitgang heeft gebracht.

Ook nu is er een onderstroom van organisaties die het anders willen, die er zijn om de samenleving te dienen, in plaats van er waarde aan te onttrekken – niet uit idealisme, maar omdat zij simpelweg zien dat zij anders hun bestaansrecht verspelen. Wie zijn oor te luisteren legt, hoort dat het – meer dan tien jaar na de kredietcrisis – normaal is geworden om na te denken over de verbinding met de samenleving. Zo zijn tal van consumenten, politici en leiders van grote bedrijven en samenwerkingsverbanden doordrongen van het feit dat de markt op zoek is naar een nieuwe, meer duurzame manier van denken. Steeds meer bedrijven zijn op zoek naar een bewuste, sociale, beschaafde en meer menselijke economie.

Betekenisvol verhaal

Wie een karikatuur maakt van het kapitalisme, slaat deze ontwikkeling dood. Bedrijven zijn niet heilig, maar zij kunnen een beslissende rol vervullen in het verbeteren van de wereld. De nieuwe moraal is dat bedrijven die op de wereld zijn om alleen geld te verdienen, geen bestaansrecht hebben.

Uit de opkomst van het denken over purpose blijkt een verlangen naar een groter, meer betekenisvol verhaal: een perspectief op de wereld dat samenhang biedt, dwars door alle chaos heen. Dat verhaal is te vinden in de overlap van het aandeelhouderskapitalisme en het multi-stakeholderdenken, en Smit laat in zijn boek zien dat Polman hierin een voorbeeld is geweest voor vele anderen. Het is zaak dat de beweging naar een socialer kapitalisme navolging krijgt vanuit de Dutch Sustainable Growth Coalition, VNO-NCW, mkb-Nederland, in de politiek en vanuit het maatschappelijk middenveld. Die ontwikkeling krijgt alleen kans als we voorbij de karikaturen kijken.